Drie ontwikkelaars van deKennistoetsenbank aan 't woord.

Albertien Parlevliet is vanaf het prille begin betrokken bij deKennistoetsenbank. Naast haar werk als ontwikkelaar is zij actief als secretaris van de examencommissie Welzijn bij ROC Midden Nederland.

Hoe gaat de ontwikkeling van de kennistoetsen in z’n werk? In de eerste ronde van dit werk halen we feedback op bij de andere ontwikkelaars. In de tweede ronde worden de vragen gevalideerd door deskundigen uit ’t werkveld en het onderwijs. Vervolgens zetten we ze uit bij de scholen die ermee werken. Als daar relevante feedback uitkomt van docenten en studenten stellen we de vragen nog een keer bij.

Charles van der Stam is docent Verpleegkunde bij Scalda in Zeeland en werkt deels nog binnen de GGZ. Als ontwikkelaar is hij sinds december 2017 actief.

Wat maakt het werk van de ontwikkelaar voor deKennistoetsenbank aantrekkelijk? Dat je goed moet nadenken over de stof, in mijn geval de psychiatrie. Ik moet weer in de literatuur duiken. Tegelijk realiseer ik me dat de mbo’er een praktijkmens is en dat ik daar de toetsvragen op moet afstemmen. Ze moeten helpen om af te toetsen wat de student in de praktijk moet weten. Dat maakt het interessant en leuk.

Albertien: Met deze toetsen hebben we veel meer mogelijkheden. Je kunt er illustraties en filmpjes aan toevoegen. Dat sluit goed aan op de beeldcultuur van de studenten. Zij zeggen zelf: “Mevrouw, nu kan ik me veel beter concentreren op een toets.” Daar doe je het voor, dat je de student de kans geeft om zo goed mogelijk te scoren. Ik vind dit werk zo leuk dat ik in ’t weekend gewoon een paar uurtjes met die vragen aan de gang ga.

Remco Korteweg is docent sociale vaardigheden en stoornissen bij het Deltion College. Hij werkt bij deKennistoetsenbank mee aan de ontwikkeling van toetsen voor Maatschappelijke Zorg.

Remco: Praktijkervaring omzetten in een toetsvraag, dat vind ik leuk. Zo kende ik bijvoorbeeld een meisje met autisme. Dit meisje vroeg aan haar moeder: “Bestaan mensen uit bloed en botten?” “Ja”, zei deze. Waarop het meisje een kind van een jaar of 2 tussen de deur drukte. Niet uit agressie, ze wilde gewoon zien of er bloed uitkwam. Zo’n ervaring kleurt mijn werk als ontwikkelaar.

Wat maakt het werk van de ontwikkelaar weleens lastig?  lastig wordt het bijvoorbeeld als het gaat over de verschillende stadia waarin dementie wordt ingedeeld. Daar zijn allerlei theorieën over, die docenten waarschijnlijk niet kennen. Hoe maak je dat duidelijk? En voor welke kies je? Dat is dan de opgave.

Charles: Het is monnikenwerk, maar leuk monnikenwerk. Het vergt uiterste concentratie. Ik ben bezig met het classificatiesysteem van de psychiatrie. Daar mag ik me dan echt in verdiepen. Hoe werkt dat nou in de praktijk? Hoe leg ik bruggetjes naar wat de mbo-student in de praktijk moet weten? Zaken waar je zelf niet zoveel praktijkervaring mee hebt, dat maakt dit werk wel eens lastig.

Albertien: Wat ik weleens lastig vind, is de toetsen methodeonafhankelijk te maken. Als dat niet kan, moet je ze passend maken op een bepaalde theorie. Hoe je dat doet, is nog best een worsteling. Kijk, het is mooi dat de vragen worden gevalideerd door mensen uit het werkveld en het onderwijs, maar dan krijg je soms terug “Ja, maar zo leren wij dat de studenten helemaal niet.” “Dat is niet erg,” zeg ik dan, “want dan kies je gewoon de vragen die wél bij jouw onderwijs passen.”

Wat zie je als het belangrijkste verschil tussen toetsen die de docent zelf heeft gemaakt en die van deKennistoetsenbank?

Remco: Goede toetsen maken is vakwerk. Wat de vragen van deKennistoetsenbank bijzonder maakt, is dat er bij elke toetsvraag meer deskundigen meekijken. Dat gaat dus heel anders dan bij een docent die in zijn eentje toetsvragen bedenkt.

Albertien: We werken op landelijk niveau samen, dus kun je veel expertise delen en de vragen bijstellen. Zo krijg je een veel betere kwaliteit. Wat kan iemand alleen? Als ik kijk naar de toetsvragen die ik 30 jaar geleden maakte dan schaam ik me bijna voor wat ik toen heb gedaan.

Charles: De procedures die we volgen zijn helder. Ze waarborgen de kwaliteit. Maar we moeten niet vergeten dat het gaat om toetsen om te leren. Het is geen ‘Citotoets’.

Hoe reageren studenten op het werken met de kennistoetsen?

Remco: Ze zijn overwegend enthousiast. Begrijpelijk, studenten lezen weinig. Ze denken ‘ik pik ’t wel op in de les’. Daar zitten ze te googelen. Deze vragen dwingen tot lezen. Ook omdat wij tegen hen zeggen ‘Dit wordt getoetst en daarbij krijg je alleen vragen uit deKennistoetsenbank.’

Charles: Studenten zien meteen een uitslag en dat vinden ze fijn.

Albertien: Wij hebben een pilot gedaan met een soort afrondingstoets beroepsgericht verzorgen van een leerjaar voor pedagogisch werkers. Onderling afkijken bleek nog best mogelijk. Studenten konden appen met anderen buiten de zaal. Dus zeggen wij, je moet het inzetten als leermiddel. Inmiddels staat er een uitgebreidere pilot op stapel.

Wat vinden docenten ervan?

Albertien: Bij ons zijn zij er nog nauwelijks bij betrokken. Maar onder de docenten die het hebben gezien waren er meteen een paar die ermee aan de slag wilden.

Remco: Docenten geven niet makkelijk toe dat ze het lastig vinden om zelf toetsvragen te maken. Maar als ze daar eerlijk over zijn dan blijken ze het allemaal fijn te vinden om kant-en-klare toetsvragen te krijgen.

Charles: De docenten vinden het werken ermee heel fijn door het gemak waarmee het gaat.

Wat zeg je tegen een collega die twijfelt over het werken met kennistoetsen?

Albertien: “Joh, het is toch juist mooi dat je bij de leerstof, die jij aanbiedt, vragen kunt vinden die daarbij passen. Je kunt de toets zelf samenstellen en dat toespitsen op de inhoud van jouw onderwijs. Je kunt ze gebruiken op jouw manier. Je kunt de student er thuis mee laten werken, je kunt ze gebruiken in de les, je kunt zien welke student welke leerstof heeft begrepen, je kunt het gebruiken als afronding en er een cijfer aan hangen. Je kunt ermee doen wat jij wilt.”

Charles: Ik zou zeggen: “Weet je wel hoe fijn en makkelijk het werkt? Kijk even met mij mee, dan zie je hoe goed dat gaat.” Zo heb ik heel wat collega’s ervan kunnen overtuigen dat je met deze toetsen een betrouwbaar beeld krijgt van wat die student nou eigenlijk weet.

Remco: Ik zou de voordelen voor de docent concreet en zichtbaar maken. Tenslotte verschilt de mbo-docent niet zoveel van mbo-student. Ze houden beiden van concrete voorbeelden.

Terug naar overzicht